Zes onvergetelijke nachten in Redlight
Dit verhaal is gebaseerd op mijn eigen ervaring in Truckee, Californië. Het plaatsje bestaat echt, net als het Redlight bunk hotel. Het ging er daar vreemd aan toe en ik was een van de laatste gasten die daar verbleef.

De personen die in dit verhaal voorkomen zijn gebaseerd op de mensen die ik in Redlight heb ontmoet. Hun namen zijn veranderd en heel misschien zijn hun persoonlijkheden wat aangedikt. Hier en daar. Maar eigenlijk niet eens zo heel erg veel.
Ik heb het enorm naar mijn zin gehad in Redlight bunk hotel en heb daar nog veel meer hele leuke – en bijzondere – mensen ontmoet dan in dit verhaal voorkomen.
Dit verhaal schreef ik voor een magazine van mijn (online) schrijfclub. De opdracht was een verhaal van 5.000 woorden te schrijven binnen het thema ‘Indian Summer’. Bij Indian Summer denk ik meteen aan Californië en bij Californië denk ik aan Truckee en Redlight.
‘Ga naar Californië’
Slordig rol ik mijn slaapzak op en ruk de stop uit mijn matje. Ik kruip de tent uit en mik alles in mijn kofferbak. De aarde vliegt me om de oren als ik de haringen uit de grond trek. Een deel belandt in mijn gezicht. Wat een kutzooi. Ik heb het koud, ik heb – alwéér – slecht geslapen, en ik ben moe.
De tent is nat.
Natuurlijk is de tent nat.
Het kan me niet schelen. Ik gooi hem half uitgespreid over de achterbank van mijn huurauto en smijt de deur dicht.
Ga naar Californië, zeiden ze. Dan krijg je mooie Indian Summer-vibes, zeiden ze. Overdag is het heerlijk warm en zonnig, maar in de nachten vriest het. Wie bedenkt dat? Ik niet. Zeker ook de mensen die me hier naartoe stuurden niet.
Stampend zoek ik al mijn kampeerspullen bij elkaar. Hup, de kofferbak in. Een laatste rondje over de kampeerplek. Alles is ingepakt en opgeruimd. Ik gris de afvalzak nog mee en smijt die voor de bijrijdersstoel. Al mijn eten heb ik ook al ingepakt, dus ik ontbijt zo wel in het eerste het beste dorp dat ik tegenkom.
Ik stap in, start de motor vast en zet de verwarming zo heet mogelijk. Ik wil opwarmen. Ik zet de navigatie aan naar Truckee. Geen idee of het wat is, maar in de VS hebben ze in elk dorp wel een diner waar je kan ontbijten.
In de achteruitkijkspiegel zie ik mijn kampeerplek. Het is een geweldige plek, met een picknicktafel, kampvuurbak en barbecue. Groot ook. Mijn kleine tentje past er wel tien keer op.
Jammer van die koude nachten.
Ik rij de camping af en ga niet langs de beheerder, die ziet vanzelf dat ik weg ben.
De resterende nachten van mijn reservering annuleer ik online, zodra ik ergens aan het ontbijten ben.
In de warmte.
Met veel ei, en nog veel meer spek.
En hash browns.
Truckee doet me denken aan oude western films. Het lijkt wel een decor. De zon schijnt op die typische rechthoekige panden in Main Street en zet alles in een prachtig licht.
Ik kan er niet van genieten. Mijn vingers zijn ondertussen ontdooid, mijn humeur nog niet.
Op de parkeerplaats zoek ik de beste diner voor een ontbijt. Ik vind een bakkerij-slash-breakfastbar. Het eten is heerlijk. Geen hash browns helaas, maar wel perfecte eieren en goede koffie.
Veel koffie.
‘Ik ben op zoek naar een slaapplaats,’ vertel ik de barista wanneer ik betaal. ‘Is er een betaalbare plek die je kan aanraden?’
Ze grijnst. Waarom grijnst ze?
‘Je kan Redlight proberen, het is een bunk-hotel.’
Ik bedank haar en loop naar buiten. Oké, Redlight. Bunk-hotel? Is dat zoiets als een hostel? Ik ga op het bankje voor de bakkerij zitten en zoek het op.
Hm, iets tussen een hotel en een hostel. En blijkbaar gevestigd in een oud bordeel. Vandaar de grijns. De foto’s zijn… bijzonder. Er is ook een bar, een speakeasy.
En ze hebben privékamers, met een eigen badkamer!
Na dagen niet gedoucht te hebben, besluit ik dat ik een privébadkamer heb verdiend. In ieder geval voor twee nachten.
Redlight
Via de website reserveer ik een kamer. In de automatische bevestigingsmail staat dat ik vanaf drie uur ‘s middags kan inchecken. Ik kijk naar de tijd: half twaalf. Ik heb geen zin om drieënhalf uur te wachten. Eens kijken of ik iemand kan overhalen me eerder in mijn kamer te laten.
Redlight is geloof ik een Victorian. Het is een donkerbruin pand, met witte kozijnen. In het midden een deur, met aan beide kanten een raam. Erboven een wit balkon, daarboven in hoekige letters ‘Redlight’ geschilderd.
Ik kijk nog eens goed. Op het balkon staan drie paspoppen. Een zilveren met een eenhoornkop, een zwarte met een wit hoofd en een rode met een omgekeerd softijsje als hoofd. Ik grijns en giechel. Wat is dit voor plek?
Ik loop naar de deur, maar krijg die niet open. Er zit een kastje met een code op. Shit, heb ik een code gekregen? Uiteindelijk bel ik aan, ik kan niets in de bevestigingsmail vinden.
Een man doet open, hij lijkt van mijn leeftijd. Hij heeft een glinsterend knopje in zijn oor en is vrolijk zoals alleen Amerikanen dat kunnen zijn. Hij glimlacht en maakt grote, blije gebaren bij het praten.
Natuurlijk kan ik alvast inchecken, hij moet alleen even kijken of de kamer al schoon en klaar is.
Terwijl hij dat controleert, kijk ik mijn ogen uit in de speakeasy. Ze steken hier niet onder stoelen of banken dat het vroeger misschien een bordeel was. Of dat echt waar is, is blijkbaar niet helemaal duidelijk.
Alle muren zijn rood, de vitrage die de ruimte in een schemerige gloed zet is rood. Het plafond is bedekt met tinnen platen met een patroon erin gedrukt. Er staat een hoefijzervormige bar met comfortabele barkrukken. Een oude piano in de hoek waar de lak van afbladdert. Alles is van hout of rood. Alles.
Het is hier fantastisch.
De man, Sebastian, komt terug. De kamer is klaar en ik kan erin, zónder extra kosten. Wat zijn ze lief hier. Hij biedt me aan een rondleiding te geven, maar ik wil eerst douchen.
De kamer is piepklein, maar helemaal van mij. Ik laat me achterover op het bed vallen. Het is zacht, bijna te zacht, maar ik kijk er nu al naar uit om hier vanavond te slapen. In de kamer is alles rood, paars, roze of donkerblauw. De badkamer is wit met een prachtige mozaïekvloer met donker- en lichtblauwe tegeltjes.
De douche is geweldig – heerlijk warm en met een sterke straal die alle viezigheid van me af weet te spoelen. Ik schrik van de bruinige kleur van het water dat van me af komt.
Tot mijn grote verbazing hadden de campings geen douches. Kamperen is hier een heel andere aangelegenheid dan in Europa. Back to basics, met alleen een tentje, of all-in met een enorme camper met uitschuifbare wanden. Er lijkt geen middenweg te zijn.
En dus ook geen douches op de camping.
Als ik weer beneden kom, is Sebastian weg en staat er iemand anders achter de bar. Hij heeft kort donker haar met hier en daar wat grijs. Zodra hij me opmerkt breekt zijn gezicht open in een glimlach.
‘Jij moet Johanna zijn, ik ben Will.’
‘Hi, Will.’ Ik lach terug en kijk voor het eerst naar het krijtbord dat achter de bar hangt. ‘Hebben jullie rootbeer floats? Daar wil ik er wel een van.’ Het water loopt me in de mond, wat heb ik hier opeens zin in.
Will kijkt over zijn schouder naar het bord. ‘Staat dat er nog op?’ Hij pakt een doek om het uit te vegen en kijkt verontschuldigend over zijn schouder naar achteren. ‘Ik heb geen vanille-ijs meer. Alleen mint-chocolate.’
Ik trek een vies gezicht. ‘Dat lijkt me niet lekker in een float.’
Hij lacht. ‘Mij ook niet. Kom, dan laat ik je de rest zien.’
Er is een grote open keuken, met een enorme zachte bank en een lange eettafel. Als we een trap aflopen, komen we in een filmzaaltje met zitzakken en banken terecht. Achter de keuken is een terras met kleurige parasols en schaduwdoeken. Ik hou nu al van dit hotel.
Will vertelt dat ze op de andere locatie – die is er blijkbaar – kippen hebben waarvan ze elke ochtend de eieren in de keuken leggen, die je gratis mag pakken. Op is op.
‘s Middags, nadat ik boodschappen heb gedaan bij een grote supermarkt – ik ben dol op die enorme buitenlandse supermarkten – loop ik door Truckee. Het is een typisch Amerikaans toeristendorp met veel galeries. En een eersteklas boekwinkel. Ik loop er minstens een uur rond, maar weet niet wat ik moet kopen. Het aanbod is overweldigend.
Dus koop ik niets.
Ik eet een ijsje in de warme namiddagzon. Avondeten doe ik in een van de diners. Lekker vette Amerikaanse hap met veel te veel dunne frietjes. Ik vreet ze allemaal op. Het smaakt me zo goed na dagen alleen maar havermout en bonen uit blik.
Als ik Redlight weer binnenloop – met code dit keer – zitten er al mensen aan de bar. Will begroet me joviaal en ik schuif aan. Een beetje verlegen kijk ik naar de anderen aan de bar.
Een oudere vrouw met een glas wijn, een grote kerel met een biertje en een stel dat aan een tafeltje aan het raam zachtjes met elkaar praat. Vast ook Europeanen, ik heb Amerikanen nog nooit zacht horen praten.
Ik kijk naar de verschillende taps. ‘Heb je een IPA?’
Will kijkt bedenkelijk en trekt een van de taps open. Leeg. ‘Ik heb er een op fles, laat me even zoeken.’
Hij rommelt wat door de koelkasten en zet een flesje voor me neer, met een gekoeld glas. Een van de beste uitvindingen sinds het gesneden brood.
De man naast me draait zich naar me toe en stelt zichzelf voor als Jason. De vrouw heet Ruth. We maken een kletspraatje. Tijdelijke vrienden maken is makkelijk in hostels en in Amerika al helemaal. Iedereen hier is vriendelijk en staat open voor een praatje.
‘Ik was van plan twee maanden te kamperen,’ vertel ik. ‘Maar het was ‘s nachts zo koud dat ik hier naartoe gevlucht ben.’
Ze moeten er hartelijk om lachen. Wat had ik dan verwacht op deze hoogte? Ik ben er vandaag achter gekomen dat we op meer dan 1800 meter zitten.
Tja, wat had ik dán verwacht?
Een heerlijke nazomer met zwoele nachten. Er niet bij stilstaand dat de avond hier veel eerder inzet dan in Nederland en dat je in de bergen zelfs in de zomer temperaturen onder de tien graden kunt krijgen. Dom van me, ik weet het.
Het is heerlijk om met deze vreemdelingen in de warme bar net iets te veel speciaalbier te drinken. Ze zijn hier omdat ze in de buurt werken. In het weekend gaan ze weer naar hun families in andere delen van de staat. Vreemd lijkt me dat, duur ook. Maar zoals het een goede tijdelijke barvriend betaamt, vraag ik niet door. Als ik uiteindelijk naar bed stommel – een echt bed! – tolt mijn hoofd nog lang na.
Gepingel in de nacht
Ik word laat wakker met een lichte kater, maar dat mag de pret niet drukken. Ik maak een ontbijt – er zijn gelukkig nog eieren – en vertrek daarna voor mijn eerste toeristische attractie: een rondje om Lake Tahoe rijden.
Het is een adembenemende rit. Het meer is knalblauw, wordt omringd door naaldbomen, en de bergen op de achtergrond hebben besneeuwde toppen. Alsof ik in een ansichtkaart sta, zo mooi is het hier.
Ik stop in het plaatsje Kings Beach om aan het meer te lunchen. Verder stop ik nog een paar keer bij parkeerplaatsen en inhammen om van het uitzicht te genieten. Parkeren, tien meter lopen, om je heen kijken, en weer verder. Zo gaat dat hier. Geen wandelroutes, niets. Of ik ben een te domme toerist om ze te kunnen vinden.
Terug in Redlight blijkt er een nieuwe vrouw te zijn gearriveerd: Karen. Ze doet haar naam geen eer aan – ik heb haar geen woord horen klagen en ze maakt me constant aan het lachen.
‘Doe mij nog maar zo’n lekkere IPA,’ zeg ik tegen Will.
Hij doorzoekt de koelkasten. ‘Sorry, ik heb hem niet meer.’
Ik kreun. ‘Nee toch, deze is ook al op? Wat heb je nog wel?’
Hij zoekt iets voor me uit en een beetje mokkend accepteer ik zijn offerande. Karen vertelt ondertussen waarom ze in Truckee is.
‘Ik heb een baan gevonden bij een van de skiresorts.’ Ze haalt haar schouders op. ‘Ik ben op zoek naar een woning, tot die tijd blijf ik hier.’
Ze heeft al eerder in de buurt gewerkt en kent het gebied goed. We besluiten morgen samen op pad te gaan en ze zal me wat mooie plekken laten zien.
Ik ben dol op tijdelijke barvrienden waarmee je spontaan besluit op stap te gaan. Nadat we getoast hebben op onze roadtrip, drink ik mijn drankje in een paar slokken op en stommel met Karen de trap op – het is alweer na middernacht.
Na een douche lig ik deze avond minder te tollen in mijn bed. Na wat een paar uur slapen moet zijn geweest, word ik ergens wakker van. Een beetje groezelig kijk ik om me heen, maar het is aardedonker in mijn kamer. Ik kan niets zien. Dan hoor ik wat.
Met gespitste oren probeer ik het geluid nog een keer op te vangen. Is het pianomuziek? Ik kom overeind om het beter te kunnen horen. Het is echt de piano! Ik pak mijn telefoon. Het is drie uur ‘s nachts. Wie kan er nu nog in de bar zitten? Karen en ik waren de laatsten.
Het is vast een gast die laat binnen is gekomen, iemand die ik nog niet heb gezien. Wel aso om zo laat nog te pingelen… Ik trek mijn kussen over mijn hoofd en probeer weer in slaap te komen.
‘s Ochtends is de piano het eerste waar ik aan denk. Heb ik het echt gehoord? Of was ik aan het dromen? Ik zal Karen vanmiddag of zij het ook heeft gehoord.
Als ik met mijn bord met gebakken eieren door de keuken loop zie ik een briefje hangen. Ze zoeken personeel! Dat is wat voor mij. Ik heb al besloten langer te blijven – en om te verhuizen naar een gedeelde kamer, anders wordt het te duur. Misschien kan ik mijn verblijf op deze manier bekostigen. Dan kan ik zo lang blijven als ik wil.
Zodra ik mijn ontbijt op heb, ga ik op zoek naar Sebastian om een andere kamer te boeken. Als hij aan de bar de boel voor me regelt, vis ik voorzichtig naar het briefje.
‘Ik zag in de keuken een oproep voor personeel hangen. Zijn jullie nog op zoek?’
Nog half naar zijn scherm starend kijkt hij me vanuit zijn ooghoek kort aan. ‘Hm? O, nee, dat hangt er nog van het zomerseizoen. We zijn op dit moment voorzien.’
Mijn mondhoeken zakken naar beneden, maar ik probeer mijn teleurstelling te verbergen.
‘Zo, ik heb je voor de komende vier nachten in de dameszaal geboekt.’ Hij geeft me een briefje met de code van het deurslot.
‘Dank je. Ik ga mijn spullen verhuizen.’
In de auto vraag ik Karen of zij de piano ook heeft gehoord.
‘Nee, ik heb niets gehoord. De white noise machine stond aan.’ Ze speelt met het volumeknopje van de radio. ‘Werd je er wakker van?’
Ik haal mijn schouders op. Ik weet niet precies waar ik wakker van werd.
‘Heb jij ook het idee dat er iets raars aan de hand is in Redlight?’ Het floept eruit.
Ik voel haar naar me kijken. Vluchtig wend ik mijn blik naar haar. Ze fronst, kijkt een beetje schuin omhoog. Snel kijk ik weer naar de weg.
‘Hm… Niet echt, waarom denk je dat?’
‘Ik weet het niet precies… Alle voorraad lijkt op te raken. Het ijs, speciaalbier… Het wordt niet aangevuld, volgens mij. En ik vroeg Sebastian naar de oproep voor personeel en hij zei dat ze niet op zoek zijn. Waarom haal je dat briefje dan niet weg?’
‘Ach, dat hoort wel bij Redlight. Het zijn toch allemaal een beetje bohemien kunstenaars die er rondlopen.’
Tja, dat klopt ook wel… Maar zo kun je toch geen zaak runnen?
Will staat achter de bar als we terugkomen. Karen gaat naar boven om te douchen, ik kruip op een van de barkrukken en bestel een ginger beer. Dat is er gelukkig nog.
‘Ik hoorde vannacht de piano,’ zeg ik terloops tegen Will.
‘O ja?’ Hij kijkt niet op van het glas dat hij afdroogt.
‘Hm-hm,’ zeg ik met mijn rietje in mijn mond. Een plastic rietje, heerlijk. Slecht voor de zeebewoners en het milieu, maar o zo fijn.
‘Rond drie uur werd ik wakker,’ vertel ik. ‘Ik hoorde heel zacht iemand spelen.’ Ik kijk hem aan, wacht zijn reactie af. Als die niet komt, ga ik verder. ‘Ik dacht dat Karen en ik de laatsten waren die uit de bar vertrokken.’
‘Ja, klopt,’ zegt hij nonchalant en pakt het volgende glas. Hij droogt het niet af. Zijn doek hangt stil in de lucht. Dan begint hij te poetsen.
‘Het gebeurt wel vaker.’
‘Wat gebeurt vaker? Dat mensen laat binnenkomen en nog op de piano spelen?’
Voor hij antwoord kan geven, ploft Karen op de barkruk naast me. ‘Ik wilde eerst een drankje. Ik ga later wel douchen.’
De slaapzaal
Dit is mijn eerste nacht op de slaapzaal. Ik word weer midden in de nacht wakker, weer om drie uur. Dit keer hoor ik geen piano, maar gegiechel op de gang. Of is het de white noise-machine?
Ik dommel even in, maar word opnieuw wakker. Dit keer van gefluister. Het komt niet van de gang, het lijkt in onze kamer te zijn. Doodstil blijf ik liggen, mijn oren gespitst. Zijn het Ruth en Karen? Dan hoor ik een mannenstem terugfluisteren. Ik weet zeker dat het een man is.
Met een ruk open ik mijn gordijn en knip mijn nachtlampje aan. Niets te zien. De gordijnen van Ruth en Karen zijn gesloten, de laatste bunk is niet in gebruik en het gordijn daarvan is open. Er is niemand anders in de kamer, alleen wij drieën.
Mijn hart bonkt in mijn keel. Ik luister aandachtig, maar hoor niets meer. Dit is te gek voor woorden. Ik sta op en zet die stomme ruismachine uit. Zo, nu kan ik tenminste geluiden van elkaar onderscheiden.
Doodmoe plof ik met mijn ontbijt op schoot op de bank. Ik laat mijn hoofd tegen de rugleuning zakken en sluit mijn ogen. Ik heb de rest van de nacht geen gefluister meer gehoord, maar ook bijna geen oog dichtgedaan.
De bank zakt een beetje in, er komt iemand naast me zitten. Ik open mijn ogen en zie… niets.
Niemand.
Ik spring overeind, weet de bagel met roomkaas nog net op mijn bord te houden.
‘Wie is daar?’ vraag ik zachtjes.
Geen antwoord, natuurlijk niet. Ik kijk om me heen. Lege stoelen bij de tafel, niemand in de keuken. Ik slik, kijk door de ruimte en schrik als ik Will in de deuropening zie staan. Ik sla mijn vrije hand tegen mijn borst. Mijn hart heeft zijn weg naar mijn keel weer gevonden.
‘Will, je laat me schrikken.’
Hij kijkt me met opgetrokken wenkbrauw aan. ‘Je ziet eruit alsof je een geest hebt gezien.’ Hij loopt door naar de achterdeur, trekt die open en kijkt over zijn schouder. ‘Ik ga een mimosa halen, wil je er ook een?’
Als Will terugkomt – met mimosa’s in plastic bekers, only in America – verwacht ik dat hij bij me komt zitten. Ik ga toch zeker niet in mijn eentje voor twaalf uur ‘s middags drinken? Maar blijkbaar ga ik dat wel, want Will moet aan het werk.
Ontwijkt hij me?
De rest van de ochtend schrik ik overal van op, schichtig als een wild konijn. Ik denk steeds dat ik iets hoor, iets voel of dingen zie. Het komt vast door het slaapgebrek. Ik moet hier met iemand over praten, of iets gaan doen.
Karen heb ik nog niet gezien, haar bed was al leeg toen ik opstond. Ze zal wel op huizenjacht zijn. Ik besluit nog een keer naar de boekwinkel te gaan om alle planken opnieuw kwijlend langs te lopen. Misschien lukt het me dit keer om een boek uit te zoeken.
Het heeft me goed gedaan. In de middag voel ik me een stuk beter. Ik zit met mijn nieuwe aanwinst op het terras achter de keuken. Het is warm en onder de schaduwdoeken is het goed toeven.
Als ik dertig pagina’s heb gelezen, komt Karen bij me zitten. Ze heeft een enorm bord met rauwe groente en een fles ranch dressing bij zich.
‘Wil je ook?’ vraagt ze en steekt een wortel in haar mond.
Knikkend pak ik een stuk komkommer en steek het diep in de dressing – ik ben gek op ranch. Vanuit mijn ooghoek bestudeer ik haar stiekem. Ik wil haar vragen of ze de stemmen heeft gehoord, maar na gisteren durf ik dat niet.
Al kauwend besluit ik het niet te doen. Ik vraag haar hoe de huizenjacht ging – slecht – en of ze plannen heeft voor de rest van de dag – eten en aan de bar zitten. Uitstekend, daar kan ik me in vinden. Ik ben te moe om iets te ondernemen, maar wil niet alleen zijn.
Karen pakt haar eigen boek, maar ik kan me niet meer op het mijne concentreren. Mijn gedachten dwalen af naar vannacht en vanmorgen. Heb ik die dingen echt gehoord en gevoeld, of word ik gek? Nee, ik weet zeker dat ik het me niet heb ingebeeld.
Denk ik.
Zal ik een ander hotel boeken? Ik heb al betaald voor de komende drie nachten. En ik vind het hier leuk, ondanks de rare dingen die gebeuren. Ik voel me hier op mijn plek. Ik probeer me de geluiden voor de geest te halen. Ik was bang, maar was dat terecht? Hoe eng is pianospel en gegiechel nou helemaal?
Oude foto’s
Vannacht ben ik nergens wakker van geworden. Wat een nacht goed slapen al niet met een mens kan doen. Ik voel me herboren.
Met een broodje gebakken ei in mijn hand staar ik naar de muur met foto’s in de keuken. Er hangt een oude zwart-wit foto tussen, ik denk uit de jaren twintig. De vrouwen hebben van die hoofdbanden en halflange, rechte jurken. Zou dit de tijd zijn dat Redlight een bordeel was? De dames zitten bij heren op schoot, maar zien er niet heel promiscue uit. Was dit in die tijd gewaagd?
‘Goedemorgen,’ zegt Sebastian vanuit de deuropening.
‘Hi,’ zeg ik afwezig zonder op te kijken. Ik staar naar de foto. Dan kijk ik op. ‘Hé, Sebastian?’
Hij is alweer omgedraaid en loopt door de gang, maar keert om en komt terug. Hij kijkt me vragend aan vanuit de deuropening.
‘Was dit vroeger echt een bordeel?’
Hij lacht. ‘Dat zeggen ze.’ Hij komt mijn kant op en bukt om de foto te bekijken. ‘Het is niet helemaal duidelijk.’ Hij strijkt met zijn vinger over de hoofdtooi van een van de vrouwen. ‘Bordelen waren verboden, dus er zijn geen officiële documenten die het verhaal bevestigen.’ Hij lacht nog eens. ‘Het zou me niet verbazen als de eigenaar het heeft bedacht.’
Een vraag brandt op mijn lippen. Durf ik hem te stellen? Sebastian komt overeind en lijkt op het punt te staan weer te vertrekken. Het is nu of nooit.
‘Heb jij wel eens iets gehoord? In de nacht?’
Hij trekt een wenkbrauw op, kijkt me verbaasd aan. Natuurlijk, dit is een hotel. Gasten komen soms laat terug van een avondje uit.’
Doet hij nou expres alsof hij me niet begrijpt? Ik slik en raap mijn moed bij elkaar. ‘Maar geen andere geluiden? Of een vreemd gevoel?’
Zijn ogen worden groot en hij legt een hand op mijn schouder. ‘Gaat het wel goed met je, Johanna?’
‘Jawel, ik zal het me wel verbeeld hebben,’ antwoord ik en haal mijn schouders op.
Later zie ik Karen weer op het terras. Met een zucht komt ze naast me zitten, ze kijkt verslagen. Het gaat vast niet goed met de huizenjacht. Ik vraag ernaar.
‘Nog steeds niets gevonden. En ik wilde nog een week extra boeken, maar Will zei dat dat niet kan.’
Ik schiet overeind. ‘Wat? Waarom niet?’
Ze haalt haar schouders op. ‘Hij zei iets over een grote verbouwing, maar wist het zelf ook niet helemaal.’
Ik zak terug tegen de leuning van de stoel. Vandaar dat alle voorraad op raakt en niet meer wordt aangevuld. Dan valt het kwartje: ik moet ook op zoek naar een andere slaapplek.
‘Tot wanneer kunnen we blijven?’
‘Nog twee nachten.’
Precies wat ik heb geboekt.
De laatste ochtend
De laatste twee dagen en nachten heb ik nog vaak vreemde dingen gehoord en gevoeld. Snelle voetstappen op de gang. Nog meer gegiechel, opnieuw een mannenstem. Vast dat nieuwe stel dat dronken terugkwam van hun avondje uit. Toch?
Terwijl ik gisterochtend eieren bakte, voelde ik een luchtverplaatsing, alsof er iemand langs me liep. Vanuit mijn ooghoek zag ik iets bewegen, maar toen ik opkeek, stond er niemand.
Op het terras – ik was verdiept in een nieuw boek – voelde ik iets over mijn wang strijken. Alsof iemand zachtjes met vingertoppen langs mijn huid ging.
Echt bang was ik niet, maar prettig vond ik het ook niet. Dus vermeed ik het om alleen in de keuken of op het terras te zijn. Als er niemand anders was, zette ik de radio aan. Dat hielp, dan was het rustig.
Het is een treurige ochtend, onze laatste in Redlight. Karen heeft een ander tijdelijk adres in de buurt gevonden, ik heb beloofd haar met de auto af te zetten. Ik twijfelde of ik richting de kust zou gaan, of verder landinwaarts. Ik heb besloten naar Reno te gaan.
Terwijl ik mijn spullen van de slaapzaal haal, luister ik nog een keer goed. Geen gegiechel dit keer. Ik doe mijn rugzak om en til mijn koffer op, kijk nog een keer om me heen om afscheid van ‘mijn’ bed te nemen.
Als ik naar de deur reik om die te openen, beweegt die langzaam naar me toe.
Ik deins achteruit, mijn hart klopt in mijn keel.
Boven het bonzen in mijn oren probeer ik te horen of er iemand aan de andere kant van de deur staat.
Ik scheur me los uit mijn versteende houding en gooi mezelf op de deur, trek hem open en sprint de trap af met al mijn spullen.
Karen, Will en Sebastian zijn allemaal in de bar en kijken me vragend aan als ik hijgend onderaan de trap verschijn. Ik schud alleen maar mijn hoofd, ze geloven me toch niet.
Het is een vreemd en weemoedig afscheid. Sebastian heeft verteld dat hij ergens anders naartoe gaat. Will blijft om met de verbouwing te helpen. Zou hij daarna zijn baan weer terugkrijgen?
Ze zwaaien ons uit vanuit de deuropening, net als mijn opa en oma vroeger altijd deden.
Karen en ik zeggen niet veel op weg naar haar nieuwe hostel. We zijn er allebei best wel kapot van dat we niet in Redlight kunnen blijven. Het voelde ondertussen toch een beetje als ons thuis. Een vreemd thuis, en soms een beetje eng, maar toch thuis.
Terug naar Truckee
Het hostel in Reno was lang niet zo leuk als Redlight en de stad trok me ook niet. Ik heb besloten alsnog richting de kust te gaan en Route 1 af te rijden van San Francisco naar Los Angeles.
De route van Reno naar San Francisco loopt door Truckee. Voor de tweede keer in een week rij ik de prachtige bergroute. De bomen rond Truckee trekken hun gele herfstjas al aan.
Ik kan het niet laten te stoppen op de parkeerplaats tegenover Redlight. Ik staar naar het gebouw waar ik zo’n gezellige – en vreemde – week heb gehad.
Het balkon is leeg, de paspoppen verdwenen. Alle ramen en deuren staan open, maar er lijkt niet veel verbouwd te worden. Geen busjes, geen stof, geen mannen in werkkleding.
Ik steek de straat over en blijf op de stoep staan. Er komt rook door de ramen naar buiten. Ik zet een stap richting de deur, wil naar binnen rennen, maar de geur slaat me om de keel. Kruidig en sterk. Wierook?
Hoestend blijf ik voor de drempel staan. Die glimt en lijkt nat.
Binnen buldert plots een diepe mannenstem. Ik kan het niet verstaan.
De piano stoot een klagelijk geluid uit en de stem wordt nog luider.
Het klinkt ritmisch. Als een gebed, of een spreuk of bezwering.
Wierook, gebeden, natte drempel… Dit is geen verbouwing.
Ik draai me om en loop snel verder over de stoep. Hier wil ik niet bij zijn. Ik loop langs de bakkerij-slash-breakfastbar en besluit nog een laatste keer zo’n heerlijk ontbijt te eten.
Als ik heb besteld en sta te wachten op mijn koffie kijk ik de zaak rond. Will zit aan een van de tafels. Ik zwaai en hij grijnst naar me. Zodra ik mijn koffie heb, loop ik naar een tafeltje, maar hij wenkt me om bij hem te komen zitten.
‘Hi Johanna, hoe gaat het met je?’
‘Goed, maar ik mis Redlight. Reno vond ik niets. Ik ga naar San Francisco en kwam langs Truckee.’
‘En dus besloot je nog een keer hier te ontbijten. Begrijpelijk.’
Ik knik. ‘En jij? Al druk met de verbouwing?’
Will lacht schaapachtig. ‘Nee, nog niet. De nieuwe eigenaar wilde eerst wat andere zaken regelen.’
‘Nieuwe eigenaar? Ik dacht dat ze alleen gingen verbouwen?’
Hij heeft net de laatste hap in zijn mond gestoken en schudt al kauwend zijn hoofd. Ik neem een slok van mijn koffie. Die is goed, precies zoals ik me herinner.
Als zijn mond leeg is gaat hij verder. ‘Nee, de boel is verkocht. Aan de eigenaar van een van de skiresorts. Als huisvesting voor personeel.’
Aha. Misschien komt Karen dan wel terug naar Redlight. Een steek van jaloezie schiet door mijn buik.
‘Ik zag de… andere zaken die de nieuwe eigenaar eerst wilde regelen. Het leek wel een exorcisme.’
Hij knikt langzaam, kijkt me niet aan. ‘Hij wil geen geruchten.’
‘Geruchten? Wat voor geruchten?’
Hij bijt op zijn lippen, staart naar het tafelblad. Traag komt zijn hoofd weer omhoog en kijkt hij me aan.
Iets in zijn blik maakt dat ik niet kan wegkijken.
Hij knikt bijna onmerkbaar, alsof hij iets wil bevestigen. ‘Over wat hier gebeurt. Wat mensen denken te horen, denken te zien.’
